Toen burgemeester van Den Haag Jozias van Aartsen op 14 april het Munirpad inhuldigde, was dat meer dan enkel een eerbetoon aan de vermoorde Indonesische mensenrechtenactivist Munir Thalib. De inhuldiging van het Munirpad is ook een ongemakkelijke herinnering voor de Indonesische regering aan het eigen falen bij het berechten van de opdrachtgevers van de moord op Munir op 7 september 2004.

Suciwati is terecht skeptisch over het engagement van de Indonesische regering om Munirs moord te onderzoeken. Ondanks de belofte van de toenmalige president  Susilo Bambang Yudhoyono in 2004 dat het 'de test van onze geschiedenis' was om Munirs moordenaars te vinden, heeft de overheid nagelaten dit te doen.

Er is zeker geen tekort aan mogelijke verdachten. Als bekendste mensenrechtenactivist van Indonesië maakte Munir veel machtige vijanden onder mensen met een reputatie wat betreft het schenden van mensenrechten. Munir richtte de zeer efficiënt werkende Commissie voor Verdwenen Personen en Slachtoffers van Geweld (Kontras) op, om te strijden tegen gedwongen verdwijningen. In 2002 stichtte hij in Jakarta de mensenrechten-onderzoeksgroep Imparsial. Aan de basis van Munirs werk lag een gepassionneerd streven naar gerechtigheid in een land dat gedurende dertig jaar onder het autoritaire Suharto-bewind elke vorm van rechtsstaat met voeten trad en dat de moordenaars van meer dan 500 000 vermeende 'communisten' in 1965-66 nooit vervolgde voor hun gruwelijke misdaden.

Aan dat activisme kwam een eind toen Munir stierf aan een arsenicumvergiftiging. Het arsenicum werd naar verluidt toegevoegd aan zijn sinasappelsap tijdens een Garuda Indonesia-vlucht van Jakarta naar Amsterdam. Onderzoek door de politie in Indonesië resulteerde in de veroordeling van drie Garuda-werknemers. Een rechtbank in Jakarta veroordeelde in 2005 Pollycarpus Budihari Priyanto, een Garuda-piloot buiten dienst. Hij had Munir van economy naar business class verplaatst en kreeg 14 jaar gevangenisstraf voor het toedienen van het arsenicum. Pollycarpus werd voorwaardelijk vrijgelaten in 2014.

Een Indonesische rechtbank veroordeelde daarnaast Indra Setiawan, Garuda’s toenmalige CEO, en Rohanil Aini, Garuda’s toenmalige hoofdsecretaris, tot een jaar voorwaardelijk voor het produceren van valse documenten die Pollycarpus toegang gaven tot de vlucht.

Ondanks de veroordelingen van de drie Garuda-werknemers is er verontrustend bewijsmateriaal dat erop wijst de volledige waarheid over de moord op Munir nog niet boven tafel is, en dat de hoofverantwoordelijken nog steeds vrij rondlopen. Skeptici wijzen op het feit dat Pollycarpus ook een agent was voor de Staatsveiligheid (Badan Intelijen Negara, of BIN). Ondanks beschuldigingen die de opdracht tot Munirs moord verbinden aan voormalig BIN-directeur Majoor Generaal Muchdi Purwopranjono, sprak een Indonesische rechtbank hem in december 2008 vrij wegens gebrek aan bewijs. Dat gebeurde na een proces dat voortdurend werd geassocieerd met beschuldigingen van getuigenintimidatie. Activisten stelden dat de regering cruciaal bewijs achterhield tijdens het proces, met inbegrip van opgenomen telefoongesprekken tussen Muchdi en Pollycarpus.

In September 2009 meldde Human Rights Watch dat het bewijs in het Muchdi-proces sterk was, maar dat de vervolging ernstig was gehinderd doordat beëdigde verklaringen aan de politie systematisch werden ingetrokken en wegens druk van Muchdi’s aanhangers op de rechtbank in Zuid-Jakarta. Getuigen trokken hun verklaringen aan de politie in met de bewering dat ze basisfeiten waren vergeten, of verschenen niet in de rechtbank. De meesten waren voormalige of huidige inlichtingenagenten of gepensioneerde militairen.

De huidige president van Indonesië, Joko Widodo, heeft de gelegenheid om de fouten van zijn voorganger Yudhoyono recht te zetten, en Munirs moord grondig te onderzoeken. De president zou kunnen beginnen met de Nationale Politie op te leggen al het bewijsmateriaal te overhandigen dat achtergehouden werd of over het hoofd werd gezien tijdens de processen van zowel Pollycarpus als Muchdi. Daarnaast zouden alle beschuldigingen van getuigenintimidatie moeten worden onderzocht die gelinkt zijn aan het verwerpen van de klacht tegen Muchdi in 2008.

Als Widodo dit niet doet, zal het Munirpad in Den Haag een herinnering blijven aan de lange weg naar gerechtigheid voor de vermoorde mensenrechtenactivist Munir.