Commentatoren hebben naar aanleiding van de resultaten van drie verkiezingen in verschillende delen van de wereld beweerd dat politici die ‘identiteitspolitiek’ omarmen, het risico lopen daarvoor afgestraft te worden in het stemkokaal. In hun analyses wijzen ze erop dat een nadruk op de rechten van LHBT-ers politiek riskant is en verdeeldheid zaait.

Vorig jaar heeft een minuscule meerderheid van de Colombianen in een referendum een vredesregeling tussen de overheid en de FARC guerillas afgewezen. Sommigen geloofden dat veel kiezers het referendum hadden gebruikt als een stem tegen het algemene regeringsbeleid, iets wat bij referenda wel vaker gebeurt. Sommige analisten weten het verlies aan ‘gender politiek’.

Het Colombiaanse Constitutioneel Hof had in 2015 de adoptie van kinderen door homoparen en homoseksuele alleenstaanden mogelijk gemaakt. In 2016 werd het huwelijk voor homoparen opengesteld. Vervolgens stelde de lesbische minister van Onderwijs enkele maanden voor het referendum voor om toiletten voor iedereen toegankelijk te maken en bij de schooluniformen minder nadruk te leggen op het geslacht. Ze wilde ook een handleiding schrijven om discriminatie vanwege seksuele orientatie op scholen tegen te gaan. Haar voorstellen ontmoetten felle tegenstand van conservatieve politici. Tegenstanders linkten dit onderwerp met het vredesproces. Zij misbruikten het feit dat de Onderwijs-minister een belangrijke woordvoerder werd van de regeringscampagne om ‘ja’ te zeggen tegen het vredesakkoord. De oppositie beweerde opzettelijk onjuist dat het vredesakkoord familie-waarden ondermijnde en een niet-traditionele kijk op gender en seksuele orientatie steunde. De term ‘homo kolonisatie’ weerklonk.

Professor Mark Lilla analyseerde het onverwachte electorale verlies van Hillary Clinton in de Amerikaanse presidentsverkiezingen van November vorig jaar. In een opiniestuk voor de New York Times schreef hij dat haar campagne was afgegleden naar retoriek over diversiteit, waarbij ze met name zwarte Amerikanen, Latino’s, LHBT-ers en vrouwen als kiezers bediende, terwijl ze niets naar voren bracht dat de blanke arbeidersklasse interesseerde. Zij waren toch lange tijd de ruggegraat van de partij geweest. Volgens hem leidde dit ertoe dat deze groep zich in de steek gelaten voelde.

Lilla stelde dat nationale politiek niet over verschillen gaat, maar over wat ons bindt, en dat Clinton’s campagne had nagelaten aandacht te geven aan een onderwerp als economische rechtvaardigheid, iets wat alle groepen in de samenleving raakt. In een campagne die de nadruk legt op diversiteit voelen blanke, religieuze Amerikanen buiten de grote steden zich als een achtergestelde groep van wie de identiteit en de dagelijkse zorgen worden genegeerd.

In Nederland eindigden de Tweede Kamerverkiezingen van 15 maart in een ongekende nederlaag voor de PvdA. In de Volkrant gaf Martin Sommer hier commentaar op. Volgens hem hadden de sociaal-democraten nagelaten zaken die voor een groot publiek van belang zijn aan te kaarten. In plaats daarvan vernauwde de partij het blikveld door zich te richten op specifieke belangen van minderheidsgroepen. Hier klonk een echo van Mark Lilla’s opvattingen in door. De Nederlandse minister van Onderwijs, Jet Bussemaker, PvdA, had een genderneutrale toilet geopend op haar ministerie en gaf in interviews aan waarom zij dat van belang achtte. Sommer stelde dat transgender mensen wier belangen hiermee gediend waren, slechts een minuscuul deel van de bevolking uitmaken. Door zich met dit onderwerp bezig te houden zou de minister de meerderheid van de kiezers van zich hebben  vervreemd.

Wat men ook van het begrip ‘identiteitspolitiek’ vindt, het algemene onbehagen ermee laat zien dat het een ingewikkelde en politiek gevoelige campagnekreet is. Veel vragen die Lilla en vele anderen gesteld hebben, zijn het waard om goed te onderzoeken. Toch is het gevaarlijk en intellectueel armoedig te stellen dat de enige juiste les die men uit deze verkiezingsnederlagen kan trekken is dat politici te ver zijn gegaan in het omarmen van diversiteit, toen zij opkwamen voor de rechten van vrouwen, etnische minderheden, LHBT-ers of welke groep dan ook. Wellicht zullen politici een nieuwe manier moeten vinden om te laten zien dat zij zich de reele zorgen aantrekken van groepen die zich door de gevestigde politieke partijen buitengesloten voelen, maar ze moeten niet uit gemakzucht populistische praatjes gaan na-apen.

LHBT activisten pleiten voor gelijke rechten en non-discriminatie. Ze vragen geen speciale of extra rechten. Zij streven een samenleving na waarin LHBT-ers niet gepest worden op school of op de werkplek, en ze willen dezelfde relatierechten als ieder ander. Gelijke rechten en non-discriminatie zijn waarden die iedereen in de samenleving aangaan. Zij vragen om een robuuste verdediging. Omdat mensenrechten voornamelijk afhankelijk zijn van de mogelijkheid om met anderen mee te voelen – het besef van het belang anderen te behandelen zoals je zelf behandeld wil worden-  zijn ze extra kwetsbaar wanneer het argument van de meerderheid versus de minderheid wordt gebruikt.

Een politiek die ophoudt aandacht te geven aan de rechten van minderheden op basis van de veronderstelling dat dat verdeeldheid zaait of dat dat het moeilijk maakt om de meerderheid van de kiezers te overtuigen, zal alleen een gefragmenteerde samenleving tot gevolg hebben en zeker niet groepen met elkaar verbinden. In plaats daarvan zouden politieke leiders duidelijk moeten maken dat mensenrechten geen alles of niets situatie is. Het beschermen van mijn rechten gaat niet ten koste van het beschermen van de jouwe. Integendeel, het bevordert een systeem waarin we allemaal kunnen vertrouwen op onze rechten, mochten die onder vuur komen te liggen.