Het jaar is pas drie maanden oud, maar 'populisme' lijkt nu al het woord van 2017 te gaan worden. Kranten waarschuwen dat populisme een bedreiging is voor Europa, misschien zelfs een existentiële. Populistische radicaalrechtse partijen hebben de wind in de zeilen en zien hun gelijk bevestigd in Brexit en de zege van Donald Trump bij de Amerikaanse presidentsverkiezingen.Maar hoe bedreigend zijn die radicale populisten eigenlijk?

Bij de eerste echte test in 2017, de Tweede Kamerverkiezingen in Nederland van 15 maart, kreeg de xenofobe Partij voor de Vrijheid (PVV) van Geert Wilders 20 zetels: 13 procent van de stemmen. Dat is een flink aantal, maar vergeet niet dat de partij in 2010 (toen het populisme nog niet bij iedereen zo sterk op de radar stond) 24 zetels won, bijna 16 procent van de stemmen. En voor de stembusgang hadden de andere partijen een coalitie met de PVV al uitgesloten.

De volgende grote test voor Europa volgt in april, bij de eerste ronde van de presidentsverkiezingen in Frankrijk. Peilingen wijzen erop dat Marine Le Pen de tweede ronde in mei zal halen, en dat ze in de eerste ronde wellicht zelfs de meeste stemmen krijgt. Maar diezelfde peilingen geven ook aan dat zij in de tweede ronde met een aanzienlijk verschil zal worden verslagen, wie haar tegenstander ook wordt. En dat ondanks een veel geraffineerdere campagne dan haar vader, toen die de tweede ronde van de presidentiële verkiezingen bereikte in 2002. Marine le Pen keurt racisme en antisemitisme af, in tegenstelling tot haar vader.

En laten we Oostenrijk niet vergeten, waar de race voor het presidentschap in 2016 twee keer werd gewonnen door een kandidaat van de Groenen, ten koste van de kandidaat van de xenofobe FPÖ. 

Het klopt dat de trends voor de lange termijn wijzen op toenemende steun voor radicale, rechts-populistische partijen in Europa. Dit zien we met name in het Europees Parlement, waar populisten bij de verkiezingen van 2014 in Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en Denemarken de meeste zetels wonnen en zelfs een kwart van alle zetels in het EP.

In Hongarije en Polen kunnen we zien waar een populistische manier van regeren toe leidt, waarbij de 'wil van het volk', in de vorm van meerderheidssteun, belangrijker is dan de democratische instellingen zelf. De regeringen van die twee landen voeren een repressief en stigmatiserend beleid met betrekking tot migranten, daklozen en vrouwen - vaak op het gebied van hun reproductieve rechten - en staan minachtend tegenover 'checks and balances', de rechtsstaat en supranationale autoriteiten. 

Desondanks is het grootste risico voor Europa op dit moment niet het vooruitzicht van radicale, rechtse populisten die aan de macht zijn, want daarvan is slechts in beperkte mate sprake, maar hun bovenmaatse invloed op reguliere beleidsmakers. In plaats van onjuiste argumenten van opstandige populistische partijen te bestrijden en zich hard maken voor beleid op basis van rechten, hebben de mainstream-partijen de thema's van de populisten overgenomen, uit angst om stemmen te verliezen.

Voor veel Europese regeringen is die angst op dit moment de belangrijkste beleidsoverweging. Op recente vergaderingen in Brussel waarbij ik de EU probeerde te overtuigen om meer te doen voor de bescherming van vluchtelingen en asielzoekers, werd mij herhaaldelijk verteld, dat het risico om terrein te verliezen aan populisten, beleid op basis van respect voor (mensen)rechten in de weg staat. 

Donald Tusk, voorzitter van de Europese Raad, heeft betoogd dat de EU bij de bestrijding van migratie en terrorisme bepaalde kernwaarden opzij moet zetten, zodat zij de waarden waar zij voor staat op de lange termijn wel kan bewaren. Deze houding van gematigde politieke leiders vormt net zo'n uitdaging en bedreiging voor de waarden van mensenrechten als de populisten. Ze legitimeert en normaliseert de haatcampagne van xenofobe populisten die tegen islam en vluchtelingen zijn, terwijl zij geen regeringsverantwoordelijkheid hebben en niet ter verantwoording kunnen worden geroepen. 

Dit betekent dat de populisten hoe dan ook winnen, zelfs als ze verkiezingen verliezen.De Nederlandse verkiezingen zijn hier een goed voorbeeld van. In januari schreef premier en VVD-leider Mark Rutte in een paginagrote advertentie in Nederlandse kranten dat 'inwoners van Nederland die zich weigeren aan te passen en kritiek hebben op onze waarden, normaal moeten doen of moeten vertrekken'. Het is zeker de moeite waard om te debatteren over tolerantie en integratie, maar Ruttes boodschap gericht op de onderbuik was duidelijk bedoeld voor mensen die denken dat het uitzetten van mensen de beste oplossing is, zelfs als het burgers zijn die al hun hele leven in dat land wonen. Dit was geen verdediging van waarden, maar verraad van die waarden.

In Frankrijk staan de presidentskandidaten voor een vergelijkbare keuze. Ze kunnen doen als Nicolas Sarkozy in de tweede ronde van de presidentsverkiezingen van 2012, die een sterk anti-islam en anti-immigratiebeleid voorstond in de hoop kiezers van het Front National aan zich te binden. Uiteindelijk verloor hij, maar toen waren zijn ideeën al genormaliseerd. Of ze kunnen zich sterk maken voor Europese waarden en echt leiderschap tonen door maatschappelijke problemen aan te pakken zonder daarbij mensenrechten te schenden.

Ook in Italië zijn er risico's, met mogelijk verkiezingen later dit jaar. De populistische Vijf Sterren-beweging en de xenofobe Lega Nord zijn populair, wat verklaart waarom de regerende Democratische Partij op het vlak van migratie een veel strengere lijn volgt. Maar het hoeft niet zo te zijn. De winnaar van de Oostenrijkse presidentsverkiezingen ging niet mee in de omarming door de regeringspartijen van de xenofobe antivluchtelingenretoriek van zijn tegenstander. Hij bracht juist een positieve boodschap en won gemakkelijk. 

Populisme doet ertoe. Maar hoe de mainstream-partijen in Europa reageren, is veel belangrijker.