De Nederlandse regering moet haar discriminerende “inburgeringsexamen in het buitenland” – een examen over de Nederlandse taal en maatschappij – dat verplicht is voor familiemigranten uit een aantal niet-westerse landen, stopzetten na een uitspraak van de rechtbank van 15 juli dat het examen onwettig is, aldus Human Rights Watch vandaag.

Hoewel de uitspraak van de rechtbank was gebaseerd op een formeel detail en niet daadwerkelijk inging op het argument van de aanvrager dat het examen discriminerend is, drong Human Rights Watch er bij de Nederlandse regering op aan om het examen onmiddellijk stop te zetten in plaats van te wachten op de resultaten van een officiële evaluatie die momenteel door de regering wordt uitgevoerd.

"Het inburgeringsexamen was van het begin af aan een slecht idee en moet onmiddellijk worden stopgezet", aldus Haleh Chahrokh, onderzoeker West-Europa van Human Rights Watch. "Nu de rechtbank een uitspraak heeft gedaan, moet de Nederlandse regering niet wachten met het stopzetten van dit discriminerende examen tot hun beleidsevaluatie is afgerond."

Volgens de wet moeten migranten uit bepaalde landen, waaronder Turkije en Marokko, die zich bij familieleden in Nederland willen vestigen eerst in hun eigen land met succes een examen afleggen om te laten zien dat ze over basiskennis beschikken van de Nederlandse taal en de Nederlandse maatschappij. Migranten uit andere, voornamelijk "westerse" landen, zijn hiervan vrijgesteld.

De Amsterdamse arrondissementsrechtbank bepaalde op 15 juli dat het onwettig was om een analfabete Marokkaanse vrouw die zich bij familieleden in Nederland wilde vestigen, te verplichten om het inburgeringsexamen te halen voordat ze werd toegelaten in het land.
In een recent rapport van Human Rights Watch, "Discrimination in the Name of Integration: Migrants' Rights Under the Integration Abroad Act", werd geconcludeerd dat het examen en de bijbehorende financiële maatregelen in strijd zijn met de internationale mensenrechtenverplichtingen van Nederland omdat ze discrimineren op nationaliteit en nationale afkomst, gezinshereniging aan banden leggen en het recht op gezinsleven en de plicht om het inwoners mogelijk te maken te trouwen en een gezin te beginnen, ondermijnen.

Human Rights Watch concludeerde dat het examen discriminerend is omdat het expliciet alleen geldt voor familieleden uit overwegend "niet-westerse" landen. De combinatie van het examen en de hoge kosten van de aanvragen, gecombineerd met strenge financiële eisen voor migranten in het algemeen, hebben een onevenredig effect op twee van de grootste migrantengemeenschappen in Nederland—Marokkanen en Turken—die familieleden willen laten overkomen naar Nederland.

De Nederlandse regering voert momenteel een evaluatie van de wet uit, waarvan de bevindingen naar verwachting begin 2009 zullen worden gepubliceerd. De kwesties waarvan Human Rights Watch van mening is dat deze volledig aan de orde moeten worden gesteld tijdens de voortdurende evaluatie zijn uiteengezet in een open brief [https://www.hrw.org/english/docs/2008/07/16/nether19377.htm] die op 16 juli is verstuurd aan de Nederlandse minister van Integratie, Ella Vogelaar. Het onderzoek van Human Rights Watch heeft geleid tot vragen van Nederlandse parlementsleden aan de regering over het examen. In de brief wordt ook gereageerd op het antwoord van de regering op deze vragen.

"De voortdurende evaluatie zal nuttig zijn om veel van de kwesties die we in ons rapport hebben benoemd te onderzoeken en te verbeteren," aldus Chahrokh. "Maar een rechtbank heeft al bepaald dat het examen onwettig is, dus er hoeft niet te worden gewacht op de evaluatie om het examen stop te zetten."

Human Rights Watch zei dat het op één lijn brengen van het Nederlands integratiebeleid met mensenrechtenwetgeving een urgente prioriteit zou moeten zijn, vooral omdat Nederland op dit gebied als model dient voor andere EU-landen. Het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Denemarken en Frankrijk hebben vergelijkbare beperkende maatregelen aangenomen of overwegen deze aan te nemen. Human Rights Watch roept alle EU-landen op om te garanderen dat hun integratiebeleid volledig verenigbaar is met internationale mensenrechtenwetgeving.